Elastiek

Ik voel me naar. Te lang heb ik in het donker in je provisiekast om een zakje gezeten. Ik ben nog in functie, maar je mag me niet oprekken, dan word ik een koord.
Kantoorelastiek. Ik heb me bij mijn weten nooit paardenstaart-elastiek gevoeld, of een dun bruin elastiekje, zo’n kleine met een diameter van 4 centimeter in rust.
Vanaf vandaag wil ik niemands elastiek meer zijn, ik trek het niet meer. Ik heb zelf gekozen voor een elastisch bestaan, maar nu wil ik opgekruld als een lange groene appelschil in een vakje liggen. Een bedstee, maar wel met de deurtjes open want ik wil op mijn beurt weleens kijken naar iets anders dan de bekende voorraad.
Soms doe ik zelf pijn, wanneer ik terugschiet tussen je handen. Dan komt mijn energie vrij en weet je even heel goed welk talent ik heb. Eigen schuld trouwens, je moet me goed vasthouden als je veel van me vraagt.
Je ziet me pas als het zakje van hard plastic keer op keer eigenwijs krakend open krult en de geur, die deel is van waar jij van geniet, eruit verdwijnt. In zo’n situatie heb je me nodig. Om beet te nemen, dicht te houden, te omwikkelen en bij elkaar te houden. Dat vind ik trouwens afschuwelijk, om mij naar dat lawaai, net zoals van de zware rol met puntige pennen, die zich bij de milieustraat vermorzelend in de container heen en weer beweegt, toe te moeten bewegen. Je dwingt me en ik kan me niet afschermen voor het harde geluid dat afwijzend klinkt.
Alleen als een zakje onwillig blijft rek je me voorzichtig uit, niet meer dan nodig. Zo zal mijn schepper Stephan Perry mij bedoeld hebben. Voorzichtig vouw je me dan om een verpakking heen en dan doe ik mijn stinkende best om je van dienst te zijn. Zodat je om me geeft, al vind je míjn vrijgekomen geur niet prettig. Het ontgaat mij niet dat je je hoofd afwendt.
Die lucht is het enige in mij dat kan ontsnappen. Je zal er niet bij stilstaan. Je streelt me nooit als je me aanbrengt. Ik moet het werk doen en je bedankt me niet. Zelfs geen gemompeld complimentje. Je rukt aan mij en kijkt alleen naar het product waarmee ik ongevraagd een symbiose aan moet gaan. Waarvan ik de breedte omarm en de opengeknipte zijkant aan mij bind.
Zo help ik mee aan houdbaarheid. Er zijn minder zinnige dingen te bedenken om je in het donker aan te wijden. Maar je hebt me nu te lang teveel opgerekt en ik ben verteerd. Niet door verlangen om er voor jou te zijn, maar door geen vrije dag in een laadje te krijgen, of liever nog een week. Je blijft me nodig hebben en vindt het gewoon dat je me 24/7 in de gebruiksstand laat staan. Op wacht, strak om het pak dat ik niet probeer in te snoeren al geef ik het een lichte taille.
Dit doorzichtige pak is te groot voor mij en dat had je kunnen weten, want ik werd lichter van kleur toen je me er met een verbeten mond ongeduldig omheen prutste, je trok me bijna omver. In de haast smeet je me ook nog eens op een blik erwtjes en daar houd ik niet van. Dat komt omdat ik er jaloers op ben dat zij samen onder één deksel wonen en ik mijn familie achter heb moeten laten in de blauwe doos in een houten lade op de eerste verdieping. Daar kan ik nooit naar terug, ik zou niet weten hoe. Ja, in een stofzuigerzak, maar wie wil dat nou. Dan zitten er vlokken stof en haren om me heen.
Als ik vrijaf wil dan bedoel ik tijd met mezelf. Ik ben inmiddels gewend aan een solitair bestaan, ik moet wel, want al het andere zit in voorraadbussen of is dicht, recht uit de winkel, op de witte plank gelegd. Je begrijpt niet dat ik geen gesprek kan voeren. Ik versta de voorraad in hun bussen niet, ze roepen vanachter de ramen. Vooral de zakken verslikken zich in hun vacuüm, ik heb meteen gezegd dat ze hun adem beter in kunnen houden. Samen zijn we alleen.

Graag hoor ik als je straks thuiskomt hoe jij mij van dienst gaat zijn. Mijn geduld is op, daarom hoop ik van harte dat je niet weer eindeloos in de file staat. Negeer mij niet, want dan knap ik.
Het minste is wel dat ik mijn eigen vorm mag aannemen en uit kan rusten. In lengte en dikte, met mijn 7,5 millimeter hoog, en me uit kan rekken als ik daar zin in heb, of dat ik juist verveelt in je la mag liggen. Verder vraag ik dat je me af en toe in de vensterbank legt, zodat ik mensen en dingen kan zien bewegen. Ik eis mijn bestaan op en dat betekent, zonder bemoeienis van buitenaf rekbaar rubber in meerdere dimensies zijn.

Advertenties

Muilpeer

Muilpeer

Haar grote handen schillen een geel peertje waarbij het sap als verrast bloed na een incisie tussen haar vingers loopt.

Ik zit tegenover haar op de rode skaileren eettafelstoel en krijg niets van de peer. Dat weet ik, maar ieder jaar weer hoop ik op een klein stukje vruchtvlees. Ik zou het best kunnen vragen want ik word toch al over geslagen.

Eén voor één verdwijnen partjes tussen haar lippen. Ik probeer niet te staren. Ik vouw mijn handen tussen mijn knieën uit angst dat ze zich niet beheersen en een stukje weg grissen. Er is geen speelgoed om me af te leiden.

 

De bel. De stenen hal ketst geluidsgolven onder deuren door.

Moeizaam staat ze in haar sloffen met een bontrandje en veegt de handen aan haar schort af. De keukendeur blijft open en ik zie haar gebloemde rug bewegen omdat ze de deur bedient en praat.

De schillen staren me aan. Ze zijn flinterdun met kleine bruine spikkeltjes en vast ook wel lekker.

Wanneer ben ik oud genoeg om in de schoolvakantie niet meer te hoeven logeren?

 

Daar is ze weer en controleert staande of er niets meer over is om mij dan op te dragen de krullerige slierten weg te gooien. Zelf heeft ze er ook tijd voor want ze blijft kijken hoe ik het doe en spoelt daarna het schoteltje om.

‘Dat was lekker’, mompelt ze tegen de witte gasboiler.

 

Nu is ze terminaal. Voorzichtig duw ik de deur van haar kamer open. Zonder te groeten leg ik mijn bagage op het voeteneind van haar bed, pak een schaal van de vensterbank en leg er de inhoud van mijn blauwwitte plastic zak in.

Langzaam stapel ik ze, mijn peertjes. Wanneer ik klaar ben rijd ik het nachtkastje met de volle schaal in haar gezichtsveld. Ze klapt haar oogleden omhoog en pupillen verwijden zich. Herkenning.

Ik glimlach tussen ons in en strijk een lok achter mijn oor. Uit mijn zwarte tas haal ik een scherp houten mesje en trek de kurk van de punt. Even kom ik in de verleiding zomaar zo’n slangetje van haar door te snijden, maar de opwelling glijdt meteen terug in mijn jaszak.

Ik kan wachten. Sinds afgelopen dinsdag is ze definitief handelingsonbekwaam.

Langzaam ontvouw ik een papieren servet, peuzel de grootste peer op en negeer de hand die ze, inclusief infuus, onder gekreun heft en mijn richting uit zwabbert.

i.WAL   2015

Dijkwijf

IMG_2040

Dijkwijf

 

De aderende hand

Schuift gordijnzaam

Het dorp open

Eeuwvocht kleft de ramen aan

Het huis hoest baksteen op

Troggelt de voordeur open

 

Geef de dijk water

Land dat evenwijdig

Zeewaarts mee holt

Een grijze golf befietst haar ruggengraat

 

Een klutterende boot

Schampt haar dijen

Binnendijks water borrelt

Zuigt en omsingelt

Bestijgt haar overkant

 

IJl haar

Sleur de zeemist open

Trek haar vingers van het prikkeldraad

Druppel haar huiswaarts

Jaag het water huizenhoog

 

Overspoel haar, splijt haar kribben

Beschreeuw haar thuisreis

Smijt haar op een bank

En neem haar

Beide handen uit haar matte wanhoopschoot

 

Tref de teleurgestelde kamers

Van haar hart

Vibreer haar opgevouwen verwachting

Waarin ze teloor woont

 

Haar uitgegraven heupen

Klotsen kerkspitsen bijeen

Oerzaam snijdt ze de bocht aan

Stevent op klokkenspel einderwaarts

 

Be-eb haar sleur

En vervang haar nooit

 

Spaar de moedertong

Roep de tegenstroom

Zevenduizend keer dood tij en maan

 

Wat moet ze

Vlucht ze

Dan valt het leger aan

 

                                               i.WAL  2014

 

 

 

 

                                          

                                  

                                               

 

 

 

Tijdskind

Tijdskind

Ik ben de namiddag. Je hebt geen kind aan mij in het strijklicht. Schuimerend dwaal ik door mijn voornemens zonder te bukken om ze te rapen.

Ik ga pas naar bed als de dag sluit, het glas weer leeg is en de blaar van hete thee tot rust is gekomen.

In bed is het slechts horizontaal door de tijd ademen. Tot nu toe is geen dag mijn laatste gebleken.

 

‘Zal ik je duwen?’, verschrikt een mannenstem mijn oren waar net nog bladeren in ritselden.

Klokslag vraagteken snijdt het smoezelige touw in mijn armen. Ze klemmen mij aan de rest van de schommel waarop ik, piepklein, notities voor mijn Blog zit te maken. Ik kan hem niet zien, mijn duwer. Daar zijn de grote handen weer. Te vroeg, mijn longen wijzen de actie af. Mijn blauwe laarzen spartelen tevergeefs boven de zanderige bodem. Afremmen faalt. Honden hebben er blij gegraven. Mijn mobiel schuift met geopend bestand tussen mijn kruis en knieën heen en weer.

“Neeéé, niet doen!’, herstel ik me matig assertief, waarna hij een slag overslaat alvorens nog harder te duwen. Hij lacht schor. Ik neem me voor om mannen die zichzelf ongevraagd leuk vinden voor altijd te haten. De zitting onder mijn billen klapt, ik geef een schreeuw, bekentenis van angst, warm als bedplassen.

Fanatiek knijp ik mijn ogen dicht tegen hoogtevrees, vergeet de wereldse communicatie en in een flits zijn daar mijn vader’s handen in mijn smalle rug. Hoger, hoger, bijna horizontaal tussen de palen, de hoogste van de buurt. Ik durf niet, wil niet. Op zulke momenten wil ik niet later dan nu groot zijn. 

Nu heb ik niets met flitsen. Je kunt er niet bij stil staan, het licht zich autonoom uit het bevattingsvermogen en je hebt het nakijken. Tijd gaat snel als je het middelpunt bent. Ik was rap aan het samenvallen met de middelpuntvliedende aandrijfriemen van de tijd die dan ook tot stilstand komt. Zie daar je ervaringen maar eens op tijd in te slingeren om er nog iets in te verdisconteren zonder dat het spaak loopt.

Tijd gaat razen als het lijf leidt. Ik houd me vast omdat ik er heel af wil. Achter mijn oogleden holt mijn moeder naar binnen om papa’s fototoestel te pakken.

Daar hing ik. Daar ging ik, er is niets zweverigs aan. Ik word een kramp, heen en weer geslingerd tussen ouders die mij stoerder willen dan ik ben. Ingezwachteld verdriet dat ik aan de straatstenen niet kwijt zal raken. Ongooglebaar stukje ik.   

  IMG_6246   IMG_6244   IMG_6246          

                                                                                                                      i.WAL 2014

Marie

M                        a                           r                        i                         e

Ik verliet de bus en liet de chauffeur aan de eindhalte over. Mijn schoudertas bupste tegen mijn met denim overtrokken billen alsof ik over de dijk voortgestuwd moest worden. Halverwege passeerde ik een klein dijkhuis, het laatste woonhuis. Ik hou van zulke feitelijke aantekeningen in mijn hoofd. De haag van ligusters, die kalm naar de maan groeide, hield het woonverleden levendig gescheiden van recente ontwikkelingen.

De bebouwing ging abrupt over in industrieterrein, bereikbaar over een strook bobbelig asfalt, gevolg van zware vrachtwagenbanden. Het zwarte dek dook, net als de diepe voortuin, te betreden door een rood stalen hek, naar beneden en leidde nergens heen.

Buiten de tuin was groen uitsluitend onkruid tussen een inconsequent trottoir. Graspollen, zuring en paardenbloemen. Tot aan draaideuren van panden, gebouwen zijn minder vaak lelijk. Esthetisch ruziënde gevels, aluminium en plastic wedijveren om een eerste plaats, met grote letters bestrooit. Omgorde excentrische bedrijvigheid, aan de voet van afgemeten parkeerplaatsen met eenzame bordjes ‘alleen bezoekers’, om, onder luifels van halve cirkels door, een kale receptie te bereiken.

Mijn, weliswaar tijdelijk, werk maakte dat ik iedere dag het dijkhuis passeerde. Vaak zag ik een vrouw zitten. Met wit haar dat afstak tegen een geruit kussentje aan de rugleuning voor het raam. Het huis, mansarde kap, twee ramen boven en twee hogere beneden paste niet in mijn smaakpallet. Geen venster was alleen. Elk kozijn was opgebouwd uit twee smalle met daarboven zes kleine glasplaatjes, waarvan de sponningen in licht bladderende staat door gebroken wit bijeen werden gehouden. Teveel details. Geef mij maar een strakke doos met rolluiken.

Mijn werk was saai. Korte telefooncontacten, klachten. Communicatie per stopwatch. Niet mijn antwoord, maar de verbruikte tijd zorgde voor kwaliteit. De klant kon bij aanhoudende ontevredenheid opnieuw bellen, dat betekende weer een turfje erbij.

Ik was goed. Het interesseerde me niets wat de andere kant van de glasvezelkabel dacht of voelde. De permanente glimlach op mijn gezicht om een positief effect op de stem te sorteren had ik na één week afgeschaft. Klanten weten echt wel dat ze voor niets bellen en ik haalde mijn bonus met gemak.

In anonimiteit gedij ik. Doen en laten wat je wil. Geen social talk om een ander bestaansrecht te geven. Ik besloot vanavond weer met één van mijn accounts met flutnaam het web af te struinen.

Ze moest ver in de tachtig zijn als ik haar wankele, onzekere scharrelen door de tuin goed interpreteerde. De voortuin was zeker tien meter diep, alleen nog in gebruik om de post aan de dijk te halen. Ik ben niet iemand die van zo’n afstand groet. Te ordinair en te amicaal ineen.

In mijn proefperiode had ik van haar klimroos genoten. In de straat waar ik opgroeide stond precies dezelfde variant. Rood en geel in elk bloemblaadje, fijn geurend. Enkele rozen bewierookten de post in de bus. Op een woensdag zag ze mij eraan ruiken en stak haar hand op. Blauw geaderd vermoedde ik onder het omhoog stoten van mijn hand. De maandag er na snoof ik met mijn handen op mijn rug om haar ongevraagd te tonen dat ik niets plukte. Ze was toen vast in de keuken want ik zag haar niet zitten op haar vaste plaats tussen de  vergeelde vitrage en een sanseveria die, geflankeerd door een vetplant en een stinkende geranium, een hap uit haar gezicht nam. Ik weet zeker dat de planten zo geschoven stonden dat ze er achter vandaan kon kijken.

Hier geen stereo van potten met symmetrische planten of ballen zoals in de nieuwbouw aan de overkant van de snelweg met afgeschermd uitzicht met uitstoot.

Na een werkdag in september, waarin ik mijn portie standaardhumor en afkaptechnieken weer in de hoofdtelefoon had gekieperd, trof ik haar met een shawl om bij het toegangshek. Het liefst wilde ik doorlopen, ik heb niet voor niets geen vrienden, maar ze had me op deze winderige dag opgewacht en viel met de deur in huis.

‘Ik wil vragen of je iets voor me wil doen’, zei ze, met die mengeling van beleefd en dwingend die ouderen kenmerkt, terwijl ze zich en passant voorstelde als Marie van Hasselt.

Zo begon, na het ophalen van dat ene belangrijke postpakketje, de aflevering van een reeks kleinere en grotere boodschappen die ze nodig had. Haar dankbaarheid was gemeend. Als ik het opvouwbare zwaar bebloemde boodschappentasje aanreikte legde ze haar hand op mijn onderarm en gaf er een klopje op. Een gebaar dat mij ontroerde, wat me verbaasde.

Begin november was ik semi-tijdelijk geworden, een gegeven dat ik in mengvorm tegemoet trad omdat ik niet tot het meubilair wilde gaan behoren. Hechten vraagt veel energie van me.  Aan de andere kant kostte het werk me weinig energie en had ik in de avonden fut genoeg om op diverse schermen nog allerlei activiteiten te ontplooien.

Op een vrijdag hing volgens afspraak het plastic tasje in alle vroegte aan het hek te wapperen. Er zat rijp op. Daar had de nacht voor gezorgd. Marie hing het tasje met haar laatste krachten in de avond aan het hek omdat ze ’s morgens beweging voor beweging moest afwikkelen voordat ze zich als zoiets als aangekleed kon beschouwen. Langzaamaan was ik van haar dagritme op de hoogte geraakt. Je komt van mensen veel te regelmatig meer te weten dan je lief is. Het sluipt je oren binnen via korte zinnetjes, ongevraagd, als losse aantekeningen die je niet eens makkelijk weg kunt gooien. Afkappen kan niet volledig zonder te luisteren. Het is als een aanstaande smash van een tegenstander. Je hebt hem te kennen om hem vervolgens te elimineren.

Meestal had ik op deze dag meer voor haar te doen want het weekeind moest overbrugd worden. Terwijl ik met mijn ene hand een ander nummer op mijn iPod opzocht draaide mijn andere de tas los en frommelde de koude prop in mijn zwarte jaszak. Onderin wist ik het briefje met krullend handschrift. Als ze een goede dag had zat Marie misschien nu al aan de eikenhouten keukentafel thee te drinken.

Die namiddag benutte ik de trekbel en een minuut of drie later reikte ik Marie haar bestelling aan. In zekere zin was zij mijn bijdrage aan de samenleving. Sinds ze mij nodig had voelde ik me nuttiger. Zo had ik dat voor mezelf benoemd. Het is een universele behoefte die ook ik te danken heb aan verre voorouders. Ik vond het een wat kleffe verklaring maar liet het zo. Door Marie herinnerde ik me ook weer de vingerveeg over mijn wang als ik meteen deed wat mijn moeder me vroeg. Anders kon het soms een keiharde aai worden.

Vanwege de kou hield Marie de deur op een kier terwijl ze me gepast geld gaf.

Om de bus van zes uur te halen was ik meteen van achter mijn bureau in mijn jas geschoten en had het toiletblok, tegen mijn gewoonte in, rechts laten liggen. Nu moest ik, na de halve liter zuiver bronwater en de kartonnen bekers koffie, plassen. Aarzelend gaf Marie toestemming om binnen te komen. Het toilet was in de gang naast de keuken. Ik opende de mosterdgele deur en zag een zware zwarte bril op een witte rand rusten. De watertoevoer had een bruine curve in de leeftijd van het porselein getrokken. Aan de muur hing een gedicht. De kartonnen onderkant van het papier krulde door de vochtige buitenmuur op.

hoog rond

hoog eng

hoog kijken

 

je ogen dichtknijpen, een hand pakken

als je weer een schokje hoger wordt gedraaid

schommelen in de hoogste stand

 

straks met poffertjes omhoog kijken

beide voeten geruststellend in het zand

Mijn handen waste ik onder een veel te laag kraantje waardoor ik vinger voor vinger moest afspoelen. Aan de klos met ketting loste ik spoelwater. De porseleinen greep was net zo koud als de rest van de WC.

‘Aardig gedicht’, zei ik in de deuropening van de woonkamer tegen Marie in haar stoel.

‘Mijn kleindochter’, antwoordde ze. ‘Er hoort een foto van een reuzenrad bij. Op de jaarkermis zat ik daar als kind graag in. Dan kon ik de wereld inkijken, voorbij mijn straat en het schoolplein.’

De woordenvloed verraste me. Zoveel informatie had ze me nog niet in één keer verstrekt.

‘Plezier van voor mijn tijd’, zei ik, de kloof niet breder makend door fun te gebruiken. Buiten liepen twee parttime collega’s voorbij. Met hen zou ik dit keer gelukkig niet in de bus zitten.

‘Wil je misschien thee of heb je geen tijd voor een oude vrouw?’ Ondanks de formulering klonk het kortaf en trots.

‘Graag’, zei ik. Ik ben nieuwsgierig van aard, al vier ik dat liever bot op een scherm omdat ik dan mijn eigen interesseboog vast kan houden.

Terwijl Marie gestaag de keuken bereikte keek ik eens rustig om me heen. Wat ik zag was niet alleen oude troep zoals ik had verwacht. Ik zag een sierlijk Louis Seize kabinet van iepenhout en een Comtoise hangklok. Ik herkende het natuurlijk meteen. Mijn moeder handelde in België niet voor niets in antiek.

Bij het geluid van de gillende fluitketel kwam een heel onzuiver plan in mijn hoofd op.

Met het dienblad schuifelde ik terug naar de kamer. In de spiegel in de hal tegenover de deur trof ik een lachje op het gezicht van mijn bezoeker dat ik wel had verwacht. Zo’n jongen met een dubbele bodem in zijn bestaan. Zijn huid was veel te bleek voor een jonge vent die van alles zou moeten ondernemen. Die kleur herinnerde ik me van Pien toen ze werd opgenomen. Mijn enig kind, om onnavolgbare oorzaken een leven lang oceaandiep in zichzelf gekeerd. Ik bereikte mijn woonkamer.

‘Zo Kevin. Suiker?’ Bespottelijke naam voor een volledig Hollands kind.

‘Nee dank u’.

Ik reikte mijn gebloemde kopje naar zijn smalle hand en probeerde het trillen te onderdrukken. Vanmiddag had ik nog heerlijk gedroomd over mijn jonge zelf, maar nu was ik weer onverbiddelijk stram en geplooid. Ik had Kevin binnen gelaten omdat ik toch eens wilde weten of ik gelijk had. Dat zijn behulpzaamheid niet helemaal klopte met zijn onverschillige loopje en zijn afstandelijke blik. Ieder mens moet kansen krijgen, en ik moest in fysiek opzicht iets regelen voor mijn eigen levensonderhoud, maar gaandeweg kreeg ik spijt dat ik me had laten leiden door zijn eenzame voorkomen en hem eruit had gepikt om hulp te vragen. Hoe kwetsbaar zou ik blijken te zijn als ik mijn bedenkingen hardop zou delen en ze vielen in dat deel van hem dat ik niet peilen kon ?  Zijn spierkracht tegen mijn levenswijsheid. Ik had al een kunstknie.

De familieklok tikte luid een paar minuten weg. Het was raar om hem in de stoel van Jacob te zien zitten. Hij wipte beurtelings met zijn voeten, het leek op een hond die uitgelaten wilde worden. Ik besloot tot de aanval.

‘Ik zag je kijken naar mijn antiek? Zoveel waarde in zo’n klein huisje had je niet verwacht denk ik?’. Ik hoorde de harde toon in mijn stem. Het geluid waarover Jacob zijn hoofd schudde en me tot de orde riep als ik het tegen Pien deed door ‘Laat dat kind nou Marie’ tegen me te zeggen voor we gingen slapen. Jacob kon nooit boos op me zijn en daar waren mijn gedragingen door misgroeid geraakt. Gaandeweg in een onaardige versie van mezelf terecht gekomen, vervreemd van mijn grote liefde en ons verstilde kind. Zou ik opnieuw kiezen voor een breuk met mijn familie door voor de liefde te gaan, dat ene kind maken en daarvoor te zorgen? Was het juist geweest, te blijven, nadat Jacob failliet was gegaan? Te zwijgen tegen de familie tot op heden? Wat heeft me toch zo week gehouden? Dat Jacob onvoorwaardelijk van mij bleef houden, of had ik gewoon een slap karakter? Hij heeft zich nooit afgevraagd of voor haar hun tegenspoed een breuklijn betekende. De zorg om Pien, het opvangen van een aanhankelijk kleinkind waarvan de vader naar een ander continent verdween. Dat hele breiwerk, eerst recht en later averecht, ik kon nooit besluiten om het uit te halen, in een hoek te gooien en toen was Jacob ineens dood.

‘Of u enig idee van de waarde heeft’.

Kevin sprak harder dan gebruikelijk. Waarschijnlijk herhaalde hij zijn vraag, niet in het minst uit het lood door mijn rechtstreekse vraag. Typisch een houding van iemand die niet al te fijnzinnig versleuteld zit. Dat zijn hun apparaten tegenwoordig, de jonge mensen zelf niet meer.

Uitkijkend over de stad en mijn rozen op het balkon voor mijn raam, die helaas op deze hoogte wel vaak luis hadden, dacht ik aan Kevin. Wonderlijk hoe iemand die geen bijzondere plaats in je leven in neemt toch een goede invloed uit kan oefenen. Of liever gezegd, zijn moeder. Een kordate madame, zelfs wat dominant. Met die eigenschappen verloste ze mij van de zware meubels door een veiling te organiseren. Waarna ze, nog steeds doortastend, haar zoon stuurde om me met de opbrengst te installeren in een ruime flat met zorg. Hoe hij, nadat hij teleurgesteld leek over het getal 79, de eerste verjaardag die ik in mijn nieuwe omgeving vierde, toch hoop bleef houden op een aandeel om niet steeds opnieuw werk te hoeven zoeken. Me erop wees dat ik mijn zaken goed moest regelen en of hij daarin iets kon betekenen. Of ik mezelf niet wat vergeetachtig begon te vinden. Weinig subtiel en makkelijk te omzeilen. Ik gaf hem wat hij nodig had om hoop op een aandeel van mijn spaarrekening te houden, niet meer en niet minder. Zo bleef hij mijn vaste lijn naar buiten.

Het zou nog jaren duren voordat ik hem in de rechtszaal zag.

EINDEenBEGIN

i.WAL Verhaalkunst 2014

B o o t

 

foto-8

 

B                                         o                   o                                         t

‘We gaan’. De man naast me sloeg een arm om de schouders van de vrouw die buiten mijn gezichtsveld stond omdat we strak op rij aan dek hingen. Ik zag alleen de punt van een slappe leren schoudertas en een beringde hand die het hengsel bij de oksel omklemde.

Geen reactie.

We’re leaving’, zei ik opgewekt, me weer bewust van ons kleine taalgebied.

De man zette zijn schouder tussen mij en de vrouw en zei niets. Ik haalde mijn camera tevoorschijn en begon te schieten. Lucht, golf, wolk, rookpluim, railing.

Op een gegeven moment keek ik op, om en omhoog en zag de man en de vrouw aan één van de picknicktafels op het hoogste dek zitten. Je kon zien dat ze uit dezelfde pannen aten. Hun lichamen vertoonden nagenoeg evenveel overgewicht, afgezet op de bekende geslachtsgebonden plaatsen tussen armen en benen. Haar hoofd was mooi gebleven.

Ik deed of ik een meeuw in het vizier had, liet op het laatste moment de lens zakken en drukte het echtpaar af. Volgens mij had hij het gezien want hij fronste ineens zijn wenkbrauwen. Nu was het mijn beurt om te negeren. Tevreden draaide ik me om in de box, wat zo’n dek met hekken toch eigenlijk voor landrotten is. Ik staarde naar de voorbijglijdende kade en zag het schip, rommelig weerspiegeld in een glazen gebouw, onderweg zijn naar een breder wordende vaargeul. Dag IJmuiden, hello Scotland. Ergens ging een scheepstoeter en vaag hoorde ik een disconummer uit de buitenbar waar alweer het eerste geld werd verdiend. Opnieuw stond er iemand naast me. Ik ontmoette de ogen van de, mij leek Poolse, vrouw die haar zonnebril met strass steentjes in haar uitgebleekte haar had geschoven en me nu toeknikte. Ik bewoog op mijn beurt het hoofd heen en weer. Daarop zette ze een glimlach in gang waar haar ogen niet aan mee deden. Moeilijke jeugd of botox, fantaseerde ik losjes.

Ik keek achter me omhoog. Aan de tafel zaten nu twee jonge stellen die om beurten aan hun vaste partner frunnikten. Het leek me prettig zoenen onder een tricot capuchon in combinatie met een bloot richeltje boven een gestrikte jogbroekveter.

De man was nergens. In geen velden of wegen, noch stroom af- noch stroomopwaarts.

‘Ies in huut’, zei de vrouw tamelijk onverwacht, met een lage stem, vervormd door roken. ‘Iek met jou etèn?’, vroeg ze.

Ik aarzelde. De man leek me meer groot dan sterk maar ik wilde geen gedoe op een plaats die ik niet vrijwillig kon verlaten.

‘Misschien’, probeerde ik te rekken. Ze raakte mijn arm aan.

Please, I’m lonely, you know. Jij leuk’.

En jonger, dacht ik meteen. De dikte van haar ‘l’ gaf me een vooruitblik op het effect van samen een fles wijn bij het avondeten nuttigen.

‘Eerst foto maken’, stelde ik voor in een poging leuk nader inhoud te geven, en drukte op ON waarbij ik in een onopvallend gebaar haar hand van mijn arm af bewoog. Ze reageerde als een kind dat te vaak wordt vastgelegd en ging meteen met een schuin hoofd en brede lach tegen de witte reling staan, koket haar linker voet naar voren gestoken. Ik tilde mijn armen op en zocht contact via de lens. Die kantelde een kwartslag toen ik onverhoeds bij mijn linker ellenboog werd gegrepen. Ik kon wel raden wie dat was en begon me te verzetten toen ik de band van mijn fototoestel rond mijn strottenhoofd voelde.

 

EINDEenBEGIN

DOEK en SCULPTUUR Verhaalkunst 2014

Zand

Z                                             a                                              n                                              d

Ik naderde haar van achter. Door het zand. Haar vlecht gaf rugdekking tegen de ochtendbries.

‘Zeven’, zei ze, half over haar schouder en keek weer naar de golven. Meteen zag ik mijzelf op mijn blote knieën in het rulle zand.

Ik knikte tegen haar rug. Onnozel natuurlijk. Op het moment dat ze haar handen in haar jaszakken stak manoeuvreerde ik me in drie stappen naast haar en zette de klep van mijn pet hoger om mijn ogen voor haar vrij te maken.

‘Kasteel’, zei ik luid vanwege de wind. Het woord moest namelijk zowel naar voren als naar links. Ook weer niet zo luid dat het te ver richting golven zou gaan. Communiceren is een vak.

Ze begreep me, riposteerde, ‘Taartjes’, waarbij in elk geval haar rechtermondhoek omhoog trok. De halve glimlach trok me verder deze ontmoeting in.

‘Lichtblauw’, vulde ze aan, waarop ik, ‘Geel’ en even later nog ‘Schep’ zei. Van haar kreeg ik de informatie van respectievelijk groen en rood. Ik voelde me blij. Dit werd een heus gesprek. Ze wees met een breed gebaar naar een serie golven en zei ‘Haiku van water’. Ik keek haar horizontale teken na en zag nog net het ritme vijf-zeven-vijf aanspoelen. De Engelse vertaling concludeerde ik.

Links van ons spoedde een hond zich een paar meter in zee om een stok te pakken. Grote stok waarmee het zeulen was. Na het deponeren op het natte zand schudde het bruine beest zich goed uit en blafte kort, klaar voor een volgende run. Ik moest terug naar de auto en met werken beginnen. Het paviljoen was open gegaan en ik wilde voor de vorm wat mailen, alles binnen vastgestelde kantooruren.

Ik bleef staan.

Meestal drong mijn tijd, trachtte de 24-uurs grens op te rekken, maar nu even niet. De vrouw naast me schopte in het zand om een kuiltje voor het wassende water aan te leggen. Ik trok een streep met de neus van mijn sportschoen van een niet bijzonder en toch bekend merk. Aanbieding.

Achter ons rimpelde het zand. Harde curven en toch behoorlijk tijdelijk. Onze conversatie was in kleur, maar dat kon vandaag niet over de omgeving worden gezegd. De horizon ging nagenoeg naadloos over in de zee en boven mij was het een tikje ander grijs, maar om van ton sur ton te spreken was al overdreven.

‘Koffie?’, vroeg ik, voor mijn doen spontaan, met een zwaai van mijn hoofd naar het terras achter mij. Als reactie deed ze een stap opzij, schudde haar hoofd. De beweging bevrijdde een vleug parfum waarvan ik niet meteen op de naam kon komen. Ik beet op mijn lip en voelde me boos worden. Op mezelf natuurlijk, maar het maakte ook dat ik zin kreeg haar de golven in te duwen. Ik balde mijn handen in mijn jeans en sloot de ogen.

Na een paar minuten voelde ik een hand op mijn bovenarm neerstrijken. Mijn biceps verzet zich tegen de aanraking. Te licht, te dichtbij na de weigering. De hand schudde zachtjes aan mijn arm en ik keek weerstandig opzij. Haar glimlach en gefronste voorhoofd zag ik niet meteen. Haar ogen wel.

‘Liever alleen’, fluisterde ze. Dat laatste kon, want onze gezichten waren vlak bij elkaar. Ogen als kiezels waarin niets reflecteerde. Hoe had ik zo blind kunnen zijn. 

EINDEenBEGIN

DOEKenSCULPTUUR